Wetgeving

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

Waterleidingwet-Hoofdstuk IIIC.
Regels met betrekking tot de preventie van legionella in leidingwater
Hoofdstuk IIIC. Regels met betrekking tot de preventie van legionella in leidingwater

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 17i

1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de eigenaar van een collectieve watervoorziening
of een collectief leidingnet waarop direct of indirect tappunten als bedoeld in het
vierde lid, zijn aangesloten, voor zover die tappunten aanwezig zijn:

a. in instellingen:

  1. als bedoeld in artikel 1.2, onderdeel 1, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;
  2. als bedoeld in artikel 5.2, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit WTZi;
  3. die een of meer vormen van zorg verlenen als bedoeld in artikel 1.2,
    nummers 17 tot en met 21, van het Uitvoeringsbesluit WTZi, niet incombinatie met verblijf, binnen een op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten bekostigd gebouw;

b. in een gebouw, een gedeelte van een gebouw of een samenhangend geheel van
gebouwen of gedeelten daarvan met een logiesfunctie als bedoeld in artikel 1.1, derde
lid, van het Bouwbesluit 2003, met uitzondering van zomerhuisjes, huisjes op
volkstuincomplexen en gebouwen waar uitsluitend wordt overnacht door personen die ter plaatse werkzaam zijn;

c. in een opvangcentrum als bedoeld in artikel 1 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers,

d. in een gebouw, een gedeelte van een gebouw of een samenhangend geheel van gebouwen of gedeelten daarvan met een celfunctie als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van het Bouwbesluit 2003,

e. in een badinrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden,

f. op een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop ten behoeve van recreatief nachtverblijf gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van tenten, tentwagens, kampeerauto’s of andere voertuigen of gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf,

g. in een haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van pleziervaartuigen.

2. De artikelen 17j, 17o, 17p en 17q zijn van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een waterleidingbedrijf, voor zover deze drinkwater aan derden ter beschikking stelt, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 17q geldt dat:

a. het onderzoek naar de aanwezigheid van legionellabacteriën na de laatste zuiveringsstap tenminste halfjaarlijks wordt uitgevoerd, Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

b. het leidingwater in het distributiegebied van het waterleidingbedrijf onderzocht wordt overeenkomstig de frequentie, aangemerkt als «audit», aangegeven in tabel II van bijlage B.

3. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de eigenaar van een waterleidingbedrijf, voor zover deze huishoudwater aan derden ter beschikking stelt.

4. Als tappunten, bedoeld in de aanhef van het eerste lid worden aangemerkt:

a. tappunten met een douche of andere appendage waarmee water kan worden gesproeid of verneveld;
b. tappunten die al dan niet tijdelijk gebruikt worden voor het aansluiten van een douche, andere appendage of toestel waarmee water kan worden gesproeid of verneveld;
c. tappunten waarvan de eigenaar redelijkerwijze kan weten of vermoeden dat deze al dan niet tijdelijk gebruikt worden voor het aansluiten van een douche, andere appendage of toestel waarmee water kan worden gesproeid of verneveld;
d. alle tappunten in een instelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, sub 1, voor zover het een afdeling hematologie of oncologie is, dan wel daar transplantaties worden uitgevoerd, of patiënten met chronische longaandoeningen of met immuunstoornissen verblijven.

Artikel 17j

1. Leidingwater dat op een zodanige wijze aan de tappunten ter beschikking komt of wordt gebruikt, dat daarbij aërosolen alsmede daardoor, al dan niet samen met andere micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriën kunnen vrijkomen in hoeveelheden die, in geval van inademing, nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben, bevat minder dan 100 kolonie vormende eenheden legionellabacteriën per liter.

2. De eigenaar van een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet draagt er zorg voor dat het door hem aan derden ter beschikking gestelde leidingwater op het punt van aflevering voldoet aan het eerste lid.

§ 2. Risicoanalyse en beheersplan voor collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten .

Artikel 17k

1. De eigenaar van een collectieve watervoorziening voert een risicoanalyse uit met betrekking tot het risico, dat niet wordt voldaan aan artikel 4, zevende lid, of artikel

17j, eerste lid, overeenkomstig de daarvoor in bijlage F opgenomen voorschriften. Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

2. De eigenaar van een collectief leidingnet voert een risicoanalyse uit met betrekking tot het risico, dat niet wordt voldaan aan artikel 17j, eerste lid, ten gevolge van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15e, eerste lid, van de wet, overeenkomstig de daarvoor in bijlage F opgenomen voorschriften.

3. De risicoanalyse, bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt voorafgaand aan de ingebruikneming van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, uitgevoerd.

4. Binnen drie maanden na iedere voor het in het eerste of tweede lid bedoelde risico relevante wijziging van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, of het gebruik daarvan, dan wel van een wijziging van factoren die invloed kunnen hebben op dat risico, wordt de risicoanalyse, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk tweede lid, opnieuw uitgevoerd. De eerste volzin heeft geen betrekking op wijzigingen die zijn toegepast op grond van artikel 17n, eerste lid, of

artikel 17o, eerste lid.

5. De eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet draagt er zorg voor dat de uitkomsten van de op grond van het eerste, tweede of vierde lid uitgevoerde risicoanalyse, met een overzicht van de daarbij gebruikte gegevens en de genomen maatregelen, voor de toezichthouder ter inzage liggen ter plaatse van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, en aan de toezichthouder op zijn verzoek worden toegezonden in een door hem aangegeven vorm.

6. Indien de toezichthouder van oordeel is dat de risicoanalyse, bedoeld in het eerste, tweede of vierde lid, onjuist of onvolledig is uitgevoerd dan wel anderszins niet voldoet aan de voorschriften, opgenomen in bijlage F, kan hij de eigenaar, bedoeld in het eerste of tweede lid, verplichten tot het wijzigen, aanvullen of opnieuw uitvoeren van de risicoanalyse binnen een daarbij aangegeven termijn. Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17l

  1. Indien uit de risicoanalyse, bedoeld in artikel 17k, eerste, tweede of vierde lid, blijkt dat er een risico is dat niet wordt voldaan aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid, stelt de eigenaar van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet, op basis van de risicoanalyse een beheersplan op met betrekking tot de inrichting en het beheer van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet, dan wel herziet hij een daarop betrekking hebbend bestaand beheersplan. Het beheersplan strekt ertoe dat voldaan wordt aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid.
  2. Het beheersplan, bedoeld in het eerste lid, wordt voorafgaand aan de ingebruikneming van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet opgesteld.
  3. In het in artikel 17k, vierde lid, bedoelde geval wordt het beheersplan binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de in dat lid bedoelde risicoanalyse Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC opgesteld, dan wel wordt een bestaand beheersplan binnen drie maanden na dat tijdstip herzien, indien de risicoanalyse daartoe aanleiding geeft.
  4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing voor zover de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, het in dat lid bedoelde risico binnen drie maanden na het tijdstip van gereedkomen van de risicoanalyse opheft door zodanige wijzigingen in de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet dat daardoor niet langer periodieke beheersmaatregelen zijn vereist.
  5. Het beheersplan omvat ten minste de volgende onderdelen:

a. tekeningen of beschrijvingen waaruit de ligging en inrichting van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet blijkt;
b. gegevens over de in de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet opgenomen toestellen waarmee warm tapwater wordt bereid, leidingen en overige toestellen;
c. gegevens over de herkomst, aard en kwaliteit van het water dat wordt gebruikt voor de bereiding van leidingwater, met inbegrip van warm tapwater;
d. de uitkomsten van de uitgevoerde risicoanalyse;
e. de maatregelen die zijn of worden genomen, de werkinstructies voor het uitvoeren van de maatregelen en de voorschriften die worden toegepast voor bediening, onderhoud en controle van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet, voor zover deze betrekking hebben op de beheersing van de bij de risicoanalyse aangetroffen risico’s, waarbij tevens wordt aangegeven wie door de eigenaar belast is met de uitvoering van de maatregelen, welke bevoegdheden daarvoor bestaan en op welke wijze en in welke frequentie de uitvoering plaatsvindt;
f. de tappunten waarop en de frequentie waarin het leidingwater wordt onderzocht op de aanwezigheid van legionellabacteriën overeenkomstig artikel 17q;
g. in geval van een collectieve watervoorziening of een collectief leidingnet in een inrichting als bedoeld in artikel 17i, eerste lid, onder a of b: een omschrijving van de getroffen voorzieningen om het risico van verbranding bij personen, die vanwege hun lichamelijke of geestelijke gesteldheid niet of onvoldoende in staat zijn de temperatuur van het bij de lichaamsverzorging of anderszins gebruikte leidingwater op een veilig niveau in te stellen, te voorkomen;
h. de maatregelen die worden genomen indien er aanwijzingen zijn dat niet wordt voldaan aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid. Artikel 17m

1. In gevallen waarin op grond van artikel 17l een verplichting bestaat tot het opstellen van een beheersplan, draagt de eigenaar van een collectieve watervoorziening of van een collectief leidingnet er zorg voor dat het beheersplan voor de toezichthouder ter inzage ligt ter plaatse van de collectieve watervoorziening, onderscheidenlijk het collectieve leidingnet. Op verzoek van de toezichthouder wordt het beheersplan aan hem toegezonden in een door hem aangegeven vorm.

2. Indien de toezichthouder van oordeel is dat het beheersplan, bedoeld in artikel 17l, eerste of derde lid, onjuist of onvolledig is dan wel anderszins niet voldoet aan de voorschriften, opgenomen in artikel 17l, vijfde lid, kan hij de eigenaar verplichten tot Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC het wijzigen, aanvullen of opnieuw opstellen van het beheersplan binnen een daarbij aangegeven termijn. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 17n

  1. De eigenaar van een collectieve watervoorziening of van een collectief leidingnet voert maatregelen en controles uit overeenkomstig het beheersplan.
  2. De eigenaar, bedoeld in het eerste lid, houdt in een logboek aantekening van de krachtens dit hoofdstuk uitgevoerde maatregelen, controles en onderzoeken, alsmede van de resultaten daarvan. Deze gegevens worden gedurende drie jaar bewaard.
  3. De eigenaar, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat het logboek voor de toezichthouder ter inzage ligt ter plaatse van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet of, indien de toezichthouder daarmee instemt, op een andere, door hem te bepalen plaats. Op verzoek van de toezichthouder wordt het logboek aan hem toegezonden in een door hem aangegeven vorm.

§ 3. Controle, melding en maatregelen

Artikel 17o

  1. In geval van omstandigheden die, naar de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet redelijkerwijze kan weten of vermoeden, gevaar of beletsel kunnen vormen voor het voldoen aan artikel 4, zevende lid, of artikel 17j, eerste lid, informeert hij terstond de toezichthouder en voert hij uit voorzorg de maatregelen en controles uit die met het oog op deze omstandigheden in het beheersplan zijn opgenomen of, voor zover daaromtrent in het beheersplan geen maatregelen zijn opgenomen dan wel geen beheersplan van toepassing is, de maatregelen en controles die in deze omstandigheden redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, tenzij de toezichthouder anders voorschrijft. Tevens worden in dit geval de verbruikers terstond geïnformeerd en geadviseerd over de door hen te nemen maatregelen ter bescherming van hun gezondheid, tenzij de normoverschrijding naar het oordeel van de toezichthouder geen nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van de verbruikers.
  2. Indien de eigenaar van de collectieve watervoorziening of het collectief leidingnet vaststelt dat leidingwater niet voldoet aan artikel 17j, eerste lid, ten gevolge van een oorzaak die gelegen is in een op zijn leidingnet aangesloten woninginstallatie, collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, informeert hij terstond de eigenaar hiervan en adviseert hij deze over de te nemen herstelmaatregelen. Tevens informeert hij terstond de toezichthouder.

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

Artikel 17p

1. Het nemen en analyseren van monsters ter uitvoering van dit hoofdstuk geschiedt

overeenkomstig NEN 6265 of een gelijkwaardige methode.

2. Een gelijkwaardige methode als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend toegepast

na daartoe verkregen toestemming van de inspecteur. Bij de aanvraag worden alle

voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de bedoelde methode relevante

gegevens in de door de inspecteur aangegeven vorm aan hem overgelegd.

Artikel 17q

Bij de uitvoering van de risicoanalyse, bedoeld in artikel 17k, eerste of tweede lid, en

vervolgens tenminste halfjaarlijks, onderzoekt de eigenaar van een collectieve

watervoorziening onderscheidenlijk een collectief leidingnet het leidingwater op de

aanwezigheid van legionellabacteriën bij de tappunten, bedoeld in artikel 17i, vierde lid. Het

aantal in dit onderzoek te betrekken meetpunten wordt bepaald overeenkomstig bijlage G. De

toezichthouder kan bepalen dat de meetfrequentie of het aantal in het onderzoek te betrekken

meetpunten verlaagd of verhoogd wordt.

Bijlage F. , behorend bij artikel 17k, eerste en tweede lid, van het Waterleidingbesluit

Voorschriften ten behoeve van het uitvoeren van een risicoanalyse

Definitie van gebruikte termen:

a. dode leiding: leidinggedeelte waarin geen doorstroming met leidingwater

plaatsvindt doordat op het uiteinde van dit leidinggedeelte geen tappunten zijn

aangesloten;

b. biofilm: populatie van micro-organismen in een matrix van slijm, die aan het

inwendige oppervlak van een installatie gehecht is;

c. hot spot: plaats in de drinkwater-of huishoudwaterinstallatie of in het

warmwaterleidingnet, bedoeld in voorschrift 3.1, waar het leidingwater kan opwarmen

tot boven 25 °C of waar het water in de warmwateruittapleiding niet afkoelt tot onder

25 °C.

Algemene voorschriften

Een risicoanalyse wordt uitgevoerd door achtereenvolgens een of meerdere van de volgende

stappen te nemen:

1. Inventarisatie van de tappunten op te verwachten aërosolvorming;

2. Verzameling van gegevens met betrekking tot de collectieve watervoorziening of het

collectieve leidingnet;

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

3. Verdeling van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet in

hoofdfuncties;

4. Risicoanalyse van component tot systeem.

Paragraaf 1. Inventarisatie van de tappunten op te verwachten aërosolvorming

1.1. Uitvoering van de inventarisatie

1.1.1. Voor de uitvoering van de inventarisatie geldt dat beoordeeld wordt in hoeverre bij

gebruik van de tappunten, die deel uitmaken van een collectieve watervoorziening of

collectief leidingnet of daarop zijn aangesloten, aërosolen en daardoor, al dan niet samen met

andere micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriën kunnen vrijkomen in

hoeveelheden die in geval van inademing nadelige gevolgen kunnen hebben voor de

volksgezondheid (hierna: relevante hoeveelheden inadembare aërosolen).

1.1.2. Per tappunt worden de volgende aspecten vastgelegd:

- plaats tappunt (omschrijving ruimte);

- type tappunt (b.v. gootsteen, wastafel, bad, douche, brandslang);

- beoordeling of bij gebruik relevante hoeveelheden inadembare aërosolen kunnen vrijkomen.

1.2. Preventie aan tappunten

1.2.1. Indien uit de uitvoering van voorschrift 1.1. blijkt dat één of meer tappunten aanwezig

zijn waarbij relevante hoeveelheden inadembare aërosolen kunnen vrijkomen, wordt

tenminste één van de volgende maatregelen getroffen:

a. de aërosolvormende tappunten worden verwijderd;

b. in de toevoer naar het betreffende tappunt wordt een behandelingstechniek

toegepast waardoor legionellabacteriën die in de collectieve watervoorziening of het

collectieve leidingnet zijn gegroeid, in voldoende mate worden geëlimineerd. Op

verzoek van de inspecteur wordt aangetoond dat deze techniek effectief is en geen

onaanvaardbare neveneffecten heeft op de volksgezondheid of het milieu;

c. overeenkomstig de paragrafen 2 tot en met 5 van deze bijlage wordt een

risicoanalyse uitgevoerd voor het leidinggedeelte tussen het (centraal) leveringspunt

van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet en het betreffende

tappunt. Een leidingdeel dat alleen niet-aërosolvormende tappunten voedt, mag

worden uitgesloten van de risicoanalyse mits aan het begin van dit leidingdeel een

controleerbare keerklep aanwezig is en de aftakking direct na het (centraal)

leveringspunt is aangebracht;

d. overeenkomstig de paragrafen 2 tot en met 5 van deze bijlage wordt een

risicoanalyse uitgevoerd voor de gehele collectieve watervoorziening of het collectieve

leidingnet.

1.2.2. Indien een maatregel als bedoeld in voorschrift 1.2.1, onder a, b, of c, is getroffen, kan

de risicoanalyse worden afgesloten met inachtneming van het gestelde in voorschrift 4.7.

1.2.3. Voor zover periodieke maatregelen nodig zijn om het risico op besmetting door de

aërosolvormende tappunten te beheersen, wordt een beheersplan opgesteld en uitgevoerd

overeenkomstig artikel 17l en verder van dit besluit.

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

Paragraaf 2. Verzameling van gegevens met betrekking tot de collectieve

watervoorziening of

het collectieve leidingnet

2.1. Ten behoeve van de risicoanalyse worden tenminste de volgende gegevens verzameld

met betrekking tot de installatie:

-installatietekeningen of daaraan gelijkwaardige tekeningen, schema’s of

beschrijvingen waaruit de leidingloop, de positie van toestellen en relevante

appendages (terugstroombeveiligingen) en tappunten blijkt;

-een overzicht van de gebruikte toestellen;

-de bedrijfswijze en de temperatuurinstelling (ontwerp en praktijk);

-de temperatuur van het leidingwater op tappunten die ver verwijderd zijn van het

(centraal) leveringspunt of het warmwatertoestel, tappunten met een lange

uittapleiding en tappunten die weinig gebruikt worden.

2.2. Ten behoeve van de risicoanalyse worden tenminste de volgende gegevens verzameld

met betrekking tot de omgeving:

-ruimtetemperaturen (ontwerp, maximum etmaalgemiddelde);

-temperaturen boven verlaagde plafonds of in schachten of (technische) ruimten waar

zich leidingen bevinden;

-temperaturen in wanden, vloeren of plafonds waarin zich andere, warme leidingen

bevinden.

2.3. Ten behoeve van de risicoanalyse worden tenminste de volgende gegevens verzameld

met betrekking tot het gebruik:

- bedrijfstijden, waaronder de perioden waarin de installatie niet wordt gebruikt

vanwege bijvoorbeeld vakantie-of seizoenssluiting;

-gebruiksfuncties van het gebouw (deel);

-gebruiksfrequentie.

2.4. De onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde gegevens zijn zodanig dat daaruit ten behoeve van

de risicoanalyse de volgende gegevens kunnen worden afgeleid:

-de functie van de installatiecomponent;

-de materiële gegevens van de installatiecomponent;

-de bedrijfswijze van de installatiecomponent;

-de temperatuur van de installatiecomponent.

Paragraaf 3. Verdeling van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet

in hoofdfuncties

3.1. Ten behoeve van de risicoanalyse wordt de collectieve watervoorziening of het

collectieve leidingnet in vijf hoofdfuncties verdeeld:

1. de grondstof, zijnde de kwaliteit van het water op de plaats waar de installatie op de

plaats van levering is aangesloten;

2. de drinkwater-of huishoudwaterinstallatie, zijnde het leidingnet tussen het centrale

leveringspunt en alle tappunten;

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

3. de warmtapwaterbereiding, zijnde alle warmwatertoestellen en hun onderlinge

verbinding door middel van leidingen;

4. het warmwaterleidingnet, zijnde het leidingnet tussen de uitlaat van de

warmtapwaterbereiding en alle tappunten, inclusief eventuele circulatiesystemen.

Indien mengwatertoestellen worden .toegepast, vallen hieronder zowel het

mengwatertoestel als het distributiesysteem na het mengwatertoestel tot de tappunten;

5. de tappunten, zijnde de punten waar water door de gebruiker getapt wordt en de

punten waar

water voor andere huishoudelijke doeleinden gebruikt wordt waardoor het met mensen

in contact kan komen.

Paragraaf 4. Risicoanalyse van component tot systeem

4.1. In de risicoanalyse wordt per hoofdfunctie als genoemd in voorschrift 3.1, van de

collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet bepaald of er sprake is van een

risico op groei van eventueel aanwezige legionellabacteriën.

4.2. Bij de risicoanalyse wordt de volgende procedure gevolgd:

1. binnen de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet worden per

hoofdfunctie als omschreven in voorschrift 3.1, componenten onderscheiden;

2. vervolgens wordt per component een risicoanalyse uitgevoerd;

3. daarna wordt per hoofdfunctie voor de gehele installatie een risicoanalyse

uitgevoerd.

4.3.1 Bij de uitvoering van voorschrift 4.2, onder 1, wordt rekening gehouden met de

volgende factoren die een verandering in de risicofactoren kunnen veroorzaken:

-leidingvertakking. Het is hierbij met name van belang of de functie van een leiding en

daarmee de gebruiksintensiteit verandert.

-ruimte. Per ruimte wordt bezien of deze ruimte een verhoogde kans biedt op warme

punten (hot spots) voor de drinkwaterinstallatieleidingen en

warmwateruittapleidingen.

4.3.2. Toestellen worden als afzonderlijke componenten gezien.

4.3.3. De componenten worden genummerd, beginnend aan de inlaat van de hoofdfunctie en

oplopend naar de eindpunten, en vervolgens op een rij gezet.

4.3.4. De nummering van de componenten wordt op het installatieschema ingetekend.

4.3.5. Per component worden de vereiste gegevens in een overzicht ingevuld.

4.3.6. De onder punt 4.3.5 bedoelde gegevens zijn:

-unieke naam of omschrijving van de component;

-functie, ter indicatie van de regelmaat en intensiteit van de doorstroming;

-zichtbaarheid van de component. Indien componenten geheel in de

gebouwconstructie zijn weggewerkt wordt dit vastgelegd;

-waterinhoud van voorraadtoestellen en drinkwaterreservoirs;

-aard van de ruimte(n), ter indicatie van te verwachten hoogste temperaturen;

-dode leidingen;

-hot spots;

-omschrijving opvolgende leiding(en) / tappunt(en).

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

4.4. De risicobeschouwing per component van de collectieve watervoorziening of het

collectieve leidingnet wordt gebaseerd op de in paragraaf 2 beschreven gegevens van de

component. Op basis van deze gegevens worden de te verwachten (uiteenlopende)

bedrijfstoestanden van de betreffende installatiecomponent bepaald. In combinatie met de

hierbij behorende risicofactoren en risicokwalificatie, zoals gegeven in paragraaf 5, worden de

risicokwalificatie en eventuele acties bepaald.

4.5. Om te bepalen welke redelijkerwijs te verwachten (combinatie van) bedrijfssituaties tot

een maximaal risico op groei van legionellabacteriën kunnen leiden, wordt tenminste rekening

gehouden met de volgende aspecten:

-bewoners, gebruikers-, en beheerdersgedrag;

-onjuist functioneren van installatiecomponenten.

4.6. Risicoanalyse per hoofdfunctie en voor de gehele installatie.

1. De risicoanalyse voor de gehele installatie wordt gebaseerd op de

risicobeschouwing per hoofdfunctie als genoemd in voorschrift 3.1.

2. De risicoanalyse per hoofdfunctie kan op de volgende wijze geschieden:

-de eenvoudige werkwijze, waarbij de eis geldt dat geen enkele component van

de hoofdfunctie, na eventuele acties, een negatief risico-oordeel heeft;

-de formele risicoanalyse, waarbij gebruik wordt gemaakt van de symboliek

die in voorschrift 5.2 is gegeven. Hiertoe wordt het risico-oordeel dat eerder

per component is bepaald gesommeerd volgens de regels die daarvoor zijn

gegeven.

4.7. Vastlegging van de uitkomsten van de risicoanalyse.

De uitkomsten van de risicoanalyse, de daarbij gehanteerde gegevens en de eventueel

genomen maatregelen worden schriftelijk vastgelegd met vermelding van datum, een

aanduiding van de leidingwaterinstallatie waar de risicoanalyse betrekking op heeft, alsmede

de naam en hoedanigheid van de persoon die de risicoanalyse heeft uitgevoerd.

Paragraaf 5. Bij de risicoanalyse te hanteren risicofactoren en risicokwalificatie

Bij de risicobeschouwing gaat de eigenaar uit van de risicofactoren die in voorschrift 5.1 zijn

genoemd en van de in voorschrift 5.2 genoemde risicokwalificatie.

5.1. Risicofactoren

5.1.1. Bij de risicoanalyse wordt tenminste rekening gehouden met de volgende risicofactoren

die vermeerdering van legionellabacteriën in leidingwatersystemen bevorderen:

-een watertemperatuur tussen 25 en 50 °C;

-stilstaand water;

-lange verblijftijd;

-biofilm en sediment.

5.1.2. Bij de risicoanalyse wordt tenminste rekening gehouden met de volgende

risicobeperkende factoren:

-watertemperaturen onder 20 °C;

-watertemperaturen tussen 20 en 25 °C, voor zover er maximaal een week stilstand is

en een goede doorstroming;

-watertemperaturen boven 50 °C;

-watertemperaturen boven 60 °C (in verband met afdoding; zie punt 5.1.3.);

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

-doorstroming;

-korte verblijftijd.

5.1.3. In gevallen waarin uit de risicobeschouwing blijkt dat zich voor legionella gunstige

groeiomstandigheden voordoen en de eigenaar ervoor kiest om dit risico te beheersen door

naverwarming of het wekelijks verhogen van de temperatuur van het leidingnet (thermische

desinfectie), houdt de eigenaar daarbij één van de volgende verhoudingen van temperatuur en

tijd aan:

5.1.4. Installaties worden zo ontworpen en bedreven dat temperaturen tussen 25 en 45 °C

zoveel mogelijk worden vermeden, met name in combinatie met grote waterhoeveelheden,

stilstaand water of lange verblijftijden.

Dit houdt in dat:

-in zowel koud-als warmwatersystemen geen dode leidingen voorkomen;

-opwarming van delen van drinkwater-of huishoudwaterinstallaties of van niet

doorstroomde warmwateruittapleidingen tot boven 25 °C wordt voorkomen;

-in geval van toepassing van alternatieve desinfecteermethoden, bij de

risicobeschouwing de bij die methode aangetoonde verwijderings-of

afdodingsfactoren worden gehanteerd, voor zover door beheersmaatregelen is

gewaarborgd dat de methode in praktijk voortdurend deze mate van effectiviteit heeft.

5.1.5. Leidingen voor koud water die langer dan een week niet gebruikt worden, worden

wekelijks gespoeld. Bij het spoelen wordt water getapt tot 10 seconden nadat een stabiele

temperatuur is bereikt.

5.1.6. Leidingen voor warm water die langer dan een week niet gebruikt worden, worden

wekelijks gespoeld. Bij het spoelen wordt water getapt tot 10 seconden nadat een stabiele

temperatuur is bereikt.

5.2. Risicokwalificatie Bij de risicokwalificatie wordt gebruik gemaakt van de symbolen +

(afsterven legionellabacteriën), 0 (neutraal) en – (groei legionellabacteriën). Als referentie

wordt uitgegaan van een concentratie van minder dan 100 kve/l. Hieronder wordt de betekenis

van meerdere minnen en plussen gegeven.

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

Bij serieschakeling van componenten of clusters van componenten gelden de volgende

rekenregels voor de symbolen:

1. Als meerdere componenten of clusters minnen of nullen scoren wordt de totale score

gegeven door de slechtste score in de reeks. De component met de meeste minnen

bepaalt de totale score. Meerdere componenten met een negatieve score worden dus

niet opgeteld.

2. Als één of meer componenten gezamenlijk negatief scoren kan dit door één of meer

plussen worden gecompenseerd. Bij serieschakeling van componenten met plussen

mogen de positieve scores worden opgeteld.

3. Een min kan uitsluitend stroomafwaarts worden gecompenseerd door een plus; er

kunnen geen plussen worden «gespaard».

4. Iedere hoofdfunctie dient aan de eis van een score 0 te voldoen.

Hierna wordt voor diverse combinaties van risicofactoren de risicokwalificatie gegeven.

Noten:

1. Bij temperaturen tussen 20 en 25 °C in combinatie met stilstand van langer dan een

week of slechte doorstroming kan langzame uitgroei van de bacterie optreden tot

boven de detectiegrens.

2. In dit temperatuurstraject wordt de risicokwalificatie «0» alleen gegeven in de situatie

dat het water na die twee dagen overeenkomstig de in punt 5.1.3. gegeven standtijd tot

een temperatuur van meer dan 60 °C verhit wordt. Wordt aan deze voorwaarde niet

Bijlage 04 Waterleidingbesluit hfst. IIIC

voldaan dan is er sprake van een langere duur van de periode met temperaturen tussen

25 en 45 °C en dient de risicokwalificatie te worden bepaald voor de gehele periode.

3. In dit temperatuurstraject wordt de risicokwalificatie «0» alleen gegeven in de situatie

dat het water na die week overeenkomstig de in punt 5.1.3. gegeven standtijd tot een

temperatuur van meer dan 60 °C verhit wordt. Wordt aan deze voorwaarde niet

voldaan dan geldt een risicokwalificatie «– – –». Bij wekelijkse preventieve

thermische desinfectie kan incidenteel een situatie ontstaan waarin legionellabacteriën

in concentraties boven de detectiegrens voorkomen. Er is geen aanleiding om dan

hoge concentraties te verwachten, zodat deze situaties als veilig kunnen worden

beschouwd. Voor leidingvolumes kleiner dan 1 liter is voor alle temperaturen boven

25°C de risicokwalificatie neutraal (0), mits sprake is van een goede doorstroming.